Reading Notes: MacKinnon, Crenshaw and feminist essentialism?

In my research process, I often stumble across interesting articles and debates that I do not have the opportunity to engage with in depth in my own work. It is the kind of meandering literature search that I like to call “productive procrastination”. So, I thought: why not make it even more productive by sharing some of the notes that I am making and the thoughts that I have about these little side-tracks that, even if they turn out not to be useful to my own dissertation, might still be of interest to others.

This morning, instead of finishing the chapter, I started reading about the relation between the thought of Catherine MacKinnon and Kimberlé Crenshaw, two prominent feminist legal scholars. They are often positioned as polar opposites – MacKinnon as the radical feminist who is essentialist and prioritizes gender at the expense of race, and Crenshaw as the one who argues against that her work on intersectionality.

MacKinnon’s polemical writing, notably the article “From Practice to Theory, or What is a White Woman Anyway?” in some ways does lend itself to this conclusion. In this piece, MacKinnon argues that an essentialized trope of ‘white woman’ is being constructed that leads to a trivializing of the oppression of white women and argues for a frame that stresses on a common oppression as women.

However (and surprising to me and others, I guess), Crenshaw does not see MacKinnon’s work as oppositional to her intersectional paradigm and she resists that common framing. Instead, she reflects on why it is that MacKinnon has become the object of so much sharp critique to the extent that she becomes a kind of symbol of essentialist, race-blind feminism. For Crenshaw, the answer lies in the broader tendency to frame intersectional critique as a critique of feminist practice rather than anti-racist practice: a critique of the whiteness of feminism more than a critique of the maleness of anti-racism. She holds that women of colour are often framed in oppositional terms to feminism, but in cooperative terms to anti-racism, and questions why this is. Crenshaw suggests that

“how and when a certain set of critiques become commonplace and routinely reproduced is not solely a matter of the substantive availability of the critique. The relative availability of certain critiques of feminism – in this instance, essentialism, universalism, and the like – alongside the relative absence of similar claims that could well be launched against antiracism, suggests that a variety of factors are likely at play that have more to do with politics than an organic commitment to theoretical rigor. These politics elevate certain oppositions within feminism while they suppress potential conflicts over the role of gender, sexuality and other differences within antiracism. The time may be ripe to interrogate and potentially disrupt these circuits of meaning, to reconnect links that have been broken, and to redirect critical scrutiny to the various tropes around which expressions of solidarity and rupture have been organized. My Intersectionalities classroom is, in a sense, a laboratory in which these objectives are foregrounded” (Crenshaw 2010, 155).

In this text, Crenshaw opens up for a productive and affirmative reading of MacKinnon, rather than an easy dismissal of her. I am also intrigued by Crenshaw’s undercutting of the common oppositional framing of ‘black feminism’/’feminism of colour’ and ‘white feminism’. The idea that feminism (in the past and in the present) is racist, essentialist and exclusionary has become such a truism, that it is in a way very refreshing to read such a prominent black feminist scholar as Crenshaw challenge and nuance that common framing.

Don’t get me wrong: I am not saying that racism within feminism is not a problem and that it should not be interrogated and challenged. Indeed, much of my work is dedicated exactly to that, to working against a race-blind, gender-first version of feminism! But I do think it is interesting to think about what is at stake in the routine reiteration of this ‘split’, as Crenshaw urges us to do. What happens when this becomes one of the standard stories we tell about feminism? And how intriguing is it that one of the protagonists of this very story speaks up to challenge the narrative…

Curious for the thoughts of others! Click on the titles to go to the texts.

MacKinnon, Catherine. (1996) “From Practice to Theory, or What is a White Woman Anyway?” Radically Speaking, Feminism Reclaimed.

Crenshaw, Kimberlé. (2010) “Close Encounters of Three Kinds: On Teaching Dominance Feminisms and Intersectionality”. Tulsa Law Review. (46:1).

– And the 2013 edited volume on intersectionality in the journal Signs (Cho, Crenshaw & McCall) includes a contribution by MacKinnon on the methodological innovations enabled by intersectionality. – I haven’t read it, because now I’ve wasted enough time on this little side-track, and should get back to what I should actually be doing.

Advertisements

Het F-Boek en Intersectioneel Feminisme

Vandaag is internationale vrouwendag, een traditie die stamt uit het begin van de 20e eeuw. Het feminisme heeft een lange en rijke traditie, maar het is nog steeds springlevend en actueler dan ooit. Dat laat ook het F-boek zien: een nieuw boek over Nederlands feminisme in al haar diversiteit. Het boek, onder redactie van Anja Meulenbelt Renée Römkens, werd afgelopen donderdag gepresenteerd door Atria, het kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis.fboek

Ik ben trots dat ik er ook in sta met een stuk over de Utrechtse groep Feministisch Verzet​ en hoe wij vorm proberen te geven aan anti-racistisch en intersectioneel feminisme. Intersectionaliteit betekent heel kort gezegd het inzicht dat je seksisme en gender-ongelijkheid niet los kunt zien van andere structuren van ongelijkheid, zoals bijvoorbeeld racisme, klassisme, homofobie, transfobie, validisme, enzovoorts.

Dat dit intersectionele feministische perspectief nog lang niet zo vanzelfsprekend is als het zou moeten zijn, bleek ook weer uit een incident bij de boekpresentatie van het F-boek. Om de onderdrukking van vrouwen krachtig te verwoorden, gebruikte Hedy d’Ancona de bekende maar ook beruchte uitdrukking van John Lennon en Yoko Ono: “woman is the n* of the world”.

Deze uitspraak gaf mij direct een heel ongemakkelijk gevoel, en ik was zeker niet de enige. Tijdens de bijeenkomst legden verschillende zwarte vrouwen in de zaal uit waarom deze analogie kwetsend en ongepast is.

Het komt hier op neer: in de uitspraak wordt een analogie gemaakt tussen de positie van ‘vrouwen’ en de positie van ‘zwarten’ (ik ga het n-woord niet herhalen), alsof het gaat om twee discrete categorieën die geen overlap hebben. Maar waar passen zwarte vrouwen, die zowel met racisme als met seksisme te maken hebben, in dit plaatje? ‘Vrouwen’ lijkt hier te duiden op witte vrouwen, wiens achterstelling vergeleken wordt met het lot van zwarte mannen. Racisme wordt een tool om seksisme aan te wijzen, maar de intersecties van racisme en seksisme blijven zo onzichtbaar. Daarnaast is ook het gebruik van het n-woord een probleem, zowel in het engels als in het nederlands. Dit woord heeft een hele negatieve lading, en zwarte mensen geven aan dat ze het een onacceptabele en racistische term vinden. De website ‘Slavernij en jij’ van het NiNsee instituut geeft een genuanceerde uitleg van de historische lading van de term in het Nederlands. Gezien deze achtergrond, lijkt het een logische conclusie om dit woord niet meer te gebruiken, zeker niet als witte feminist.

Deze argumenten zijn niet nieuw, en als dit incident je bekend voorkomt, dan kan dat heel goed. In 2011 werd juist het gebruik van dit specifieke citaat binnen een feministische context het onderwerp van een intens online debat. Tijdens een ‘Slutwalk’ in de Verenigde Staten (een demonstratie tegen wat we in Nederland met Sunny Bergman ‘sletvrees‘ zouden kunnen noemen) hield een jonge witte vrouw een poster op met dezelfde tekst. In verschillende opiniestukken vertelde zwarte vrouwen precies uit waarom dit een probleem is.

Voor mij is het belangrijk dat we leren van dit soort incidenten. Het kan heel goed dat Hedy d’Ancona er geen slechte bedoelingen bij had toen ze de uitspraak gebruikte, dat ze zich niet bewust was van de racistische lading. Dat maakt het niet minder kwetsend of pijnlijk, dat maakt het niet minder problematisch. Het is een valkuil om te denken dat racisme alleen een product is van kwade intenties, dat iets alleen racistisch is wanneer het opzettelijk en bewust gezegd of gedaan wordt om een bepaalde groepen te kleineren. Zoals het werk van wetenschapper en hoogleraar Philomena Essed (die overigens ook op de bijeenkomst was en een mooie speech uitsprak) juist laat zien, is racisme niet te reduceren tot individuele intenties, maar gaat het een machtstructuur waar we allemaal deel van uit maken, en die we in alledaagse praktijken reproduceren.

Het blijft dus belangrijk om hier bij stil te staan en in te zien waarom dit soort uitspraken niet oké zijn. Juist nu feminisme weer in de belangstelling staat, weer ‘hip’ is, zoals de druk bezochte lancering van het F-boek liet zien, is het belangrijk om te reflecteren op wat voor soort feminisme dat dan precies is, dat feminisme van nu. Een intersectioneel feminisme, een anti-racistisch feminisme, een feminisme dat aandacht heeft voor verschillende vormen van onderdrukking en die niet reproduceert. Dat is mijn feminisme – dat is voor mij het ‘feminisme van nu’! Gelukkig benadrukken veel van de bijdrages in het F-boek juist ook dit intersectionele feminisme: ik kan niet wachten om ze allemaal te lezen!